Tabaksoogst

De Oogst van de Tabak in het verleden

foto 13

In juli en augustus werden de bladeren geplukt. Er werd met de onderste en grootste bladeren begonnen. Die onderste bladeren werden het ‘zandgoed’ en het ‘aardgoed’ genoemd. Het blad hogerop aan de stengel heette het ‘bestegoed’ en werd pas in september geplukt. Verder waren er nog het ‘klein geel’ en de ‘lompen’, de vrijwel waardeloze half verlepte onderste bladeren.
Meer Foto’s
Foto 14 Foto 15

foto 16

Foto 40 Foto 30

Het drogen van de tabak

Foto 20 De geplukte bladeren werden, meestal op een kruiwagen, naar de droogschuren gebracht. Daar moest de tabak eerst gesneden worden, d.w.z. in de dikke nerf onderaan het blad werd een ongeveer 10 cm lange snee gemaakt.
Foto 50Foto 60 Het snijden ging in een razend snel tempo, omdat in korte tijd soms duizenden bladeren bewerkt moesten worden. De tabakker (de teler van de planten) zat op een speciaal hiervoor bedoeld bankje, schrijlings, d.w.z., aan elke kant een been, met een stapel ongesneden blad voor zich. Het hele gezin werd bij deze werkzaamheden ingeschakeld.
foto 70foto 71 Iemand moest zorgen voor aanvoer van ongesneden blad, een ander moest de ingesneden bladeren ‘aanspijlen’.

Een spijl was een dunne aangepunte stok, meestal van essenhout, waar de bladeren aangeregen moesten worden. Elke spijl was ongeveer 1½ m lang en kon zowat 30 bladeren bevatten. Aan de spijlen werd nu de tabak te drogen gehangen.

De aangeregen bladeren moesten zodanig ver van elkaar komen te hangen, dat zij elkaar niet raakten. Dit werk wordt ’schokkéren’ genoemd. Men gebruikte er twee zgn. ‘bokken’ bij om de spijl op te leggen. Daarna konden de spijlen opgehangen worden in de droogschuur.

Foto 75Foto 77 De tabaksschuren in de omgeving van Amerongen waren alle op dezelfde wijze gebouwd: stevige houten staanders met een dwarsverbinding vormden een gebint; de gebinten stonden op een stenen voet, het ‘poertje’. De afstand tussen de gebinten bedroeg ongeveer 4 meter en het aantal gebinten bepaalde de lengte van de schuur. Schuren van 30 meter lang waren geen uitzondering, hoewel er veel wat korter waren; sommige echter ook nog langer! De breedte was in de regel 9 à 10 meter. Op het gebinte rustte het hoge pannendak. De zijwanden en de voor- en achtergevel waren bijna altijd van planken; een enkele schuur had een stenen voorgevel. In de zijwanden zaten lange kleppen, die opengezet konden worden om de wind door de schuur te laten waaien. Verder waren er in voor- en achtergevel ventilatiekleppen en grote openslaande deuren.
Foto 76Foto 80 In het verleden waren er in en om Amerongen ongeveer 70 van die schuren, nu nog maar ruim 20. Sommige zijn tot woonhuis verbouwd, andere doen nog dienst als landbouwschuur. In de omgeving van Amersfoort en Nijkerk gebruikte men een ander type schuur, hoger, met een steiler dak en rechtopstaande ventilatieluiken. De gehele ruimte in de schuur, van de nok van het dak tot ongeveer 2 meter van de vloer was door middel van dunne boomstammetjes verdeeld in een groot aantal vakken, de zgn. hank.

De stammetjes waren ongeveer 1½ meter van elkaar aangebracht. In deze hank werden nu de aangeregen spijlen met bladeren opgehangen. Elke spijl lag met zijn uiteinden op een horizontale ligger en vele honderden hingen zo naast elkaar en boven elkaar, in grote schuren zelfs een paar duizend.

foto 81Foto 82 Het drogen duurde in de regel tussen de vier en de zes weken, afhankelijk van het weer. Bij warm weer met wat frisse wind ging het snel, in een regenachtige zomer uiteraard langzamer. Soms moest men zelfs een handje helpen door het stoken van kleine vuurtjes in speciale , vuurpotten of vuurmanden, om te voorkomen dat de bladeren gingen schimmelen of rotten. In de vuurpotten stookte men meestal afgedankte of gebroken spijlen.

Als de tabak voldoende droog was werden de spijlen weer naar beneden gehaald en de bladeren daarna in bossen gebonden, het zgn. opbossen. De bossen werden tot balen geperst en de tabak werd daarna verkocht aan de opkopers (’factoors’) van de grote tabakshandelaren.

Sommige telers lieten hun tabak eerst nog fermenteren, waardoor ze meer opbracht. Het fermenteren, een broeiproces, geschiedde door de bossen bladeren dicht op elkaar te stapelen. De temperatuur in de hoop steeg door het broeien, maar mocht niet te hoog oplopen. Om dat te ­controleren waren tijdens het stapelen hier en daar lange houten kokers met gaten erin tussen de bossen gelegd; regelmatig werd er daarna een aan een stok gebonden thermometer in de kokers gehouden. Bij te grote hitte ging de stapel weer uit elkaar.

De oogst van Tabak nu.

Foto 90 Op het tabaksveldje voor het Tabaksteeltmuseum wordt elk jaar door vrijwilligers tabak geteeld.
Foto 91foto 83 Aan het oogsten van deze tabak wordt veel aandacht besteed. De laatste bladeren, het “bestegoed” worden in de maand september geplukt. Het is al enige jaren gebruikelijk dit te doen op “Open Monumentendag” een dag waarop er altijd veel te doen is in het oude dorp Amerongen. Enkele oude tabaksboeren die ook de verdere teelt hebben verzorgd plukken dan de laatste tabak en worden dan geassisteerd door de burgemeester van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, de gemeente waartoe het dorp Amerongen inmiddels behoord. Vroeger werd de laatste tabakspluk ook altijd met enig ceremonieel omringd waarbij het gebruikelijk was dat de “Landheer” ofwel de grondeigenaar een borrel aanbood aan de telers. Dit gebruik wordt in stand gehouden, na het verwerken van de tabak schekt de burgemeester een borrel voor de tabakstelers.
Foto 84 De tabak wordt opgehangen in de droogschuur, de hank het achterste deel van het Tabaksteeltmuseum.


Foto 87 Foto 78

Copyright © 2010 Tabaksteeltmuseum Amerongen - Website door Pixion