 |
De geplukte bladeren werden, meestal op een kruiwagen, naar de droogschuren gebracht. Daar moest de tabak eerst gesneden worden, d.w.z. in de dikke nerf onderaan het blad werd een ongeveer 10 cm lange snee gemaakt. |
|
  |
Het snijden ging in een razend snel tempo, omdat in korte tijd soms duizenden bladeren bewerkt moesten worden. De tabakker (de teler van de planten) zat op een speciaal hiervoor bedoeld bankje, schrijlings, d.w.z., aan elke kant een been, met een stapel ongesneden blad voor zich. Het hele gezin werd bij deze werkzaamheden ingeschakeld. |
|
  |
Iemand moest zorgen voor aanvoer van ongesneden blad, een ander moest de ingesneden bladeren ‘aanspijlen’.
Een spijl was een dunne aangepunte stok, meestal van essenhout, waar de bladeren aangeregen moesten worden. Elke spijl was ongeveer 1½ m lang en kon zowat 30 bladeren bevatten. Aan de spijlen werd nu de tabak te drogen gehangen.
De aangeregen bladeren moesten zodanig ver van elkaar komen te hangen, dat zij elkaar niet raakten. Dit werk wordt ’schokkéren’ genoemd. Men gebruikte er twee zgn. ‘bokken’ bij om de spijl op te leggen. Daarna konden de spijlen opgehangen worden in de droogschuur. |
|
  |
De tabaksschuren in de omgeving van Amerongen waren alle op dezelfde wijze gebouwd: stevige houten staanders met een dwarsverbinding vormden een gebint; de gebinten stonden op een stenen voet, het ‘poertje’. De afstand tussen de gebinten bedroeg ongeveer 4 meter en het aantal gebinten bepaalde de lengte van de schuur. Schuren van 30 meter lang waren geen uitzondering, hoewel er veel wat korter waren; sommige echter ook nog langer! De breedte was in de regel 9 à 10 meter. Op het gebinte rustte het hoge pannendak. De zijwanden en de voor- en achtergevel waren bijna altijd van planken; een enkele schuur had een stenen voorgevel. In de zijwanden zaten lange kleppen, die opengezet konden worden om de wind door de schuur te laten waaien. Verder waren er in voor- en achtergevel ventilatiekleppen en grote openslaande deuren. |
|
  |
In het verleden waren er in en om Amerongen ongeveer 70 van die schuren, nu nog maar ruim 20. Sommige zijn tot woonhuis verbouwd, andere doen nog dienst als landbouwschuur. In de omgeving van Amersfoort en Nijkerk gebruikte men een ander type schuur, hoger, met een steiler dak en rechtopstaande ventilatieluiken. De gehele ruimte in de schuur, van de nok van het dak tot ongeveer 2 meter van de vloer was door middel van dunne boomstammetjes verdeeld in een groot aantal vakken, de zgn. hank.
De stammetjes waren ongeveer 1½ meter van elkaar aangebracht. In deze hank werden nu de aangeregen spijlen met bladeren opgehangen. Elke spijl lag met zijn uiteinden op een horizontale ligger en vele honderden hingen zo naast elkaar en boven elkaar, in grote schuren zelfs een paar duizend. |
|
  |
Het drogen duurde in de regel tussen de vier en de zes weken, afhankelijk van het weer. Bij warm weer met wat frisse wind ging het snel, in een regenachtige zomer uiteraard langzamer. Soms moest men zelfs een handje helpen door het stoken van kleine vuurtjes in speciale , vuurpotten of vuurmanden, om te voorkomen dat de bladeren gingen schimmelen of rotten. In de vuurpotten stookte men meestal afgedankte of gebroken spijlen.
Als de tabak voldoende droog was werden de spijlen weer naar beneden gehaald en de bladeren daarna in bossen gebonden, het zgn. opbossen. De bossen werden tot balen geperst en de tabak werd daarna verkocht aan de opkopers (’factoors’) van de grote tabakshandelaren.
Sommige telers lieten hun tabak eerst nog fermenteren, waardoor ze meer opbracht. Het fermenteren, een broeiproces, geschiedde door de bossen bladeren dicht op elkaar te stapelen. De temperatuur in de hoop steeg door het broeien, maar mocht niet te hoog oplopen. Om dat te controleren waren tijdens het stapelen hier en daar lange houten kokers met gaten erin tussen de bossen gelegd; regelmatig werd er daarna een aan een stok gebonden thermometer in de kokers gehouden. Bij te grote hitte ging de stapel weer uit elkaar. |