De teelt van tabak in Amerongen en omgeving
Door Dhr. D. Pezarro
Uitgave van de Heemkundige stichting Amerongen 1987
Geactualiseerd door Dhr. W. Eimers 2009
Tabaksteelt in Amerongen
De Heemkundige Stichting Amerongen heeft in 1984 het initiatief genomen tot de oprichting van een Historisch Museum, waarin de geschiedenis van de tabaksteelt aanschouwelijk wordt gemaakt. Een in het centrum van het dorp gelegen tabaksschuur werd hiertoe verbouwd en ingericht, waarbij zoveel mogelijk het oorspronkelijke uiterlijk werd gehandhaafd.
In 2009 is de tabaksschuur volledig gerestaureerd en vond er een herinrichting van het museum plaats, nu geheel in het teken van de Tabaksteelt. De officiële naam van het museum is ook veranderd in “Tabaksteeltmuseum Amerongen”.
Het is niet toevallig, dat het tabaksteeltmuseum juist te Amerongen is gevestigd. Van omstreeks 1640 tot ongeveer 1880 is namelijk het verbouwen van tabak in Zuidoost-Utrecht hoofdmiddel van bestaan geweest en ook daarna nog hebben zeer velen in deze teelt een broodwinning gevonden. Omstreeks 1960 echter kwam er een eind aan de bloeitijd door het plotseling optreden van een schimmelziekte (Blue Mould geheten; de wetenschappelijke naam is Peronospora tabacina), die in enkele jaren tijds het telen van tabak onmogelijk maakte. Bovendien was de vraag naar inlandse tabak intussen sterk afgenomen.
Geschiedenis van de tabaksplant
Tabak is een plant uit de familie van de Nachtschaden; de wetenschappelijke naam is Solanaceae. Tot deze familie behoren ook de aardappelplant, tomaat, paprika en aubergine. Er zijn verscheidene soorten tabak, alle met de naam Nicotiana; de soorten rustica en tabacum zijn van belang geweest voor de teelt in Nederland. Van oorsprong echter Is de plant uit Zuid-Amerika afkomstig. De eerste Europeanen, die kennis maakten met tabak, waren de Spanjaarden, die onder leiding van Columbus op zoek waren naar een korte weg naar Indië. Ze landden in 1492 op het eiland Hispaniola en kregen daar door de inwoners gedroogde bladeren aangeboden die hun onbekend waren. Later zagen zij op het eiland Cuba dat dergelijke bladeren, in opgerolde vorm, gerookt werden. Dergelijke opgerolde bladeren werden door de bevolking tabacos genoemd, terwijl de plant waarvan ze afkomstig waren petun werd genoemd. Onder die laatste naam werd de tabak al spoedig ook door de Spanjaarden gebruikt, oorspronkelijk als geneesmiddel, maar na enige tijd toch voornamelijk als genotmiddel, gerookt In pijpen. Planten en zaad werden in Spanje en Portugal ingevoerd en in verrassend korte tijd verbreidde de tabakstoelt zich in een groot deel van Europa en Azië.
De Franse gezant in Portugal, Jean Nicot, stuurde in 1560 zaad naar Frankrijk en enkele jaren later werd de tabaksplant naar hem ‘nicotiane’ genoemd. Ook het woord ‘nicotine’ is afgeleid van Nicot. De Engelsen legden plantages aan in hun Noordamerikaanse koloniën Virginia en Maryland.
Nederland nam al gauw een bijzondere plaats in onder de producenten van tabak. Het bijzondere is gelegen in het feit, dat in ons land voor het eerst broeibakken gebruikt werden om de jonge planten op te kweken. Ons klimaat is n.l. niet warm genoeg om direct ter plaatse te zaaien; tabak is zoals al gezegd een tropische plant. Na omstreeks 1635 werd het zaaien in broeibakken algemeen in Europa toegepast als de ‘Hollandse methode’. Ook het gebruik van speciaal daartoe gebouwde droogschuren was een Nederlandse vinding. Vanaf het midden van de 17e eeuw tot diep in de 1ge eeuw was de productie van rook-, snuif- en pruimtabak een zeer belangrijke bron van inkomsten voor velen.
Omstreeks 1615 begon men in de omgeving van Amersfoort tabak te verbouwen. Vandaar breidde de teelt zich uit naar Nijkerk, Barneveld, Ede, Wageningen en verder naar de streek tussen Rhenen en Amerongen. Ook in de Betuwe werd veel tabak verbouwd, vooral in het oostelijk deel, het land van Maas en Waal, en verder op minder grote schaal in allerlei andere streken van Nederland.
Tussen 1700 en 1800 was inlandse tabak een belangrijk handelsproduct, maar in de eeuw daarna werd er langzamerhand steeds minder verbouwd. Tegen het jaar 1900 was de teelt rond Amersfoort al vrijwel verdwenen, evenals in de rest van het land. Alleen in de Betuwe en vooral tussen Amerongen en Rhenen zag men nog tabaksakkers, hoewel ook daar steeds minder. Tijdens de twee Wereldoorlogen was er een sterke opleving door het ontbreken van invoer van buitenlandse tabak, maar tenslotte hield na 1970 de teelt geheel op te bestaan. Het langst is er nog wat verbouwd in Eist, enige kilometers ten Oosten van
Amerongen.
De teeltmethode
De tabakstelers verkregen vanouds zelf het benodigde zaad door enkele planten te laten bloeien en daarna in september de rijpe vruchtdozen te plukken.
Dit zaad liet men elk jaar omstreeks eind maart, begin april, voorkiemen op een nat lapje (vaak een oude gebreide sok!) op een warm plaatsje, achter de kachel bijvoorbeeld.
Na een paar dagen, als een begin van de worteltjes zichtbaar waren, werd het zaad vermengd met fijn wit zand, uitgezaaid in een tevoren klaargemaakte broeibak, de zgn. tabakskist. Onder de aarde was een dikke laag verse paardenmest gelegd; door het broeien van de mest werd de hele bak verwarmd en in deze warme grond groeiden de plantjes snel. De kist werd afgedekt met een houten raam (het deksel) waar geen glas in zat, maar dat beplakt was met papier, dat met lijnolie was ingesmeerd. Ieder jaar werden de deksels opnieuw met papier bespannen.
Als het gevaar van nachtvorst na half mei voorbij was werd de tabak uitgeplant. De akker was van tevoren zwaar bemest, meestal met schapenmest, omgespit en van verhoogde bedden voorzien. Op deze bedden, die in de omgeving van Amerongen ongeveer 20 cm hoog en 80 cm breed waren, kwamen de jonge plantjes te staan, in twee rijen met een flinke tussenruimte.
Omdat de hoge planten met grote bladeren erg windgevoelig zijn werd er meteen gezorgd voor het aanleggen van een hoge heg, die als beschutting tegen de wind dienst moest doen. Een stuk grond van ongeveer 10 bij 20 meter werd omheind met dicht bij elkaar staande zowat 2 meter hoge dikke takken, nog met de zijtakken eraan. Op die manier ontstond een soort kamertje, dat een ‘perk’ genoemd werd. De hele te bebouwen akker werd op die manier in perken verdeeld, met smalle paadjes tussen de heggen. Aan de voet van de heg werden pronkbonen in de aarde gelegd, die uitgroeiden tot metershoge planten, die de ‘pronkers’ leverden, een soort grove snijboon. Deze bonenheggen met hun betrekkelijk grove bladeren deden de hele zomer dienst om de wind tegen te houden.
Door de zware bemesting groeide de tabak zeer snel. In juni al waren de planten een meter hoog. Dan was de tijd gekomen om de top eruit te breken. Dit zgn. toppen was nodig om te voorkomen dat de plant te hoog werd; men had liever een wat kleinere plant, die door het toppen veel grotere bladeren kreeg en daar ging het tenslotte om. Men liet echter een paar planten ongemoeid doorgroeien, die daardoor wel twee meter hoog werden en grote bloeitrossen kregen. Deze (rozegekleurde) bloemen moesten zorgen voor het zaad van het volgende jaar.
Door het verdwijnen van de top gingen de tabaksplanten zijscheuten maken en ook die moesten regelmatig worden verwijderd. Het uitbreken van die zijscheuten, zuigers of dieven genaamd, werd het ‘dieven’ genoemd. De hele zomer door moest dit werk zorgvuldig worden volgehouden. Tenslotte zaten er aan elke volgroeide plant 12 à 15 geschikte bladeren. In juli en augustus werden die geplukt. Er werd met de onderste en grootste bladeren begonnen. Die onderste bladeren werden het ‘zandgoed’ en het ‘aardgoed’ genoemd. Het blad hogerop aan de stengel heette het ‘bestegoed’ en werd pas in september geplukt. Verder waren er nog het ‘klein geel’ en de ‘lompen’, de vrijwel waardeloze half verlepte onderste bladeren.
Het drogen van de tabak
De geplukte bladeren werden, meestal op een kruiwagen, naar de droogschuren gebracht. Daar moest de tabak eerst gesneden worden, d.w.z. in de dikke nerf onderaan het blad werd een ongeveer 10 cm lange snee gemaakt.
Het snijden ging in een razend snel tempo, omdat in korte tijd soms duizenden bladeren bewerkt moesten worden. De tabakker (de teler van de planten) zat op een speciaal hiervoor bedoeld bankje, schrijlings, d.w.z., aan elke kant een been, met een stapel ongesneden blad voor zich. Het hele gezin werd bij deze werkzaamheden ingeschakeld.
Iemand moest zorgen voor aanvoer van ongesneden blad, een ander moest de ingesneden bladeren ‘aanspijlen’.
Een spijl was een dunne aangepunte stok, meestal van essenhout, waar de bladeren aangeregen moesten worden. Elke spijl was ongeveer 1½ m lang en kon zowat 30 bladeren bevatten. Aan de spijlen werd nu de tabak te drogen gehangen.
De aangeregen bladeren moesten zodanig ver van elkaar komen te hangen, dat zij elkaar niet raakten. Dit werk wordt ’schokkéren’ genoemd. Men gebruikte er twee zgn. ‘bokken’ bij om de spijl op te leggen. Daarna konden de spijlen opgehangen worden in de droogschuur.
De tabaksschuren in de omgeving van Amerongen waren alle op dezelfde wijze gebouwd: stevige houten staanders met een dwarsverbinding vormden een gebint; de gebinten stonden op een stenen voet, het ‘poertje’. De afstand tussen de gebinten bedroeg ongeveer 4 meter en het aantal gebinten bepaalde de lengte van de schuur. Schuren van 30 meter lang waren geen uitzondering, hoewel er veel wat korter waren; sommige echter ook nog langer! De breedte was in de regel 9 à 10 meter. Op het gebinte rustte het hoge pannendak. De zijwanden en de voor- en achtergevel waren bijna altijd van planken; een enkele schuur had een stenen voorgevel. In de zijwanden zaten lange kleppen, die opengezet konden worden om de wind door de schuur te laten waaien. Verder waren er in voor- en achtergevel ventilatiekleppen en grote openslaande deuren.
In het verleden waren er in en om Amerongen ongeveer 70 van die schuren, nu nog maar ruim 20. Sommige zijn tot woonhuis verbouwd, andere doen nog dienst als landbouwschuur. In de omgeving van Amersfoort en Nijkerk gebruikte men een ander type schuur, hoger, met een steiler dak en rechtopstaande ventilatieluiken. De gehele ruimte in de schuur, van de nok van het dak tot ongeveer 2 meter van de vloer was door middel van dunne boomstammetjes verdeeld in een groot aantal vakken, de zgn. hank.
De stammetjes waren ongeveer 1½ meter van elkaar aangebracht. In deze hank werden nu de aangeregen spijlen met bladeren opgehangen. Elke spijl lag met zijn uiteinden op een horizontale ligger en vele honderden hingen zo naast elkaar en boven elkaar, in grote schuren zelfs een paar duizend.
Het drogen duurde in de regel tussen de vier en de zes weken, afhankelijk van het weer. Bij warm weer met wat frisse wind ging het snel, in een regenachtige zomer uiteraard langzamer. Soms moest men zelfs een handje helpen door het stoken van kleine vuurtjes in speciale , vuurpotten of vuurmanden, om te voorkomen dat de bladeren gingen schimmelen of rotten. In de vuurpotten stookte men meestal afgedankte of gebroken spijlen.
Als de tabak voldoende droog was werden de spijlen weer naar beneden gehaald en de bladeren daarna in bossen gebonden, het zgn. opbossen. De bossen werden tot balen geperst en de tabak werd daarna verkocht aan de opkopers (’factoors’) van de grote tabakshandelaren.
Sommige telers lieten hun tabak eerst nog fermenteren, waardoor ze meer opbracht. Het fermenteren, een broeiproces, geschiedde door de bossen bladeren dicht op elkaar te stapelen. De temperatuur in de hoop steeg door het broeien, maar mocht niet te hoog oplopen. Om dat te controleren waren tijdens het stapelen hier en daar lange houten kokers met gaten erin tussen de bossen gelegd; regelmatig werd er daarna een aan een stok gebonden thermometer in de kokers gehouden. Bij te grote hitte ging de stapel weer uit elkaar.
Gebruik van inlandse tabak
In de 17e eeuw en het begin van de 18e eeuw werd de Nederlandse tabak gebruikt als pijptabak. Na 1725 kwam het snuiven van zeer fijn gemalen tabak in de mode en de handel in snuiftabak nam daardoor geweldig toe. Nog later werd Nederlandse tabak ook als pruimtabak verkocht en toen het roken van sigaren in de 19e eeuw populair werd ging veel tabak naar de sigarenfabrieken om verwerkt te worden in de goedkope merken sigaren.
Er werd toen ook een soort gekweekt, die geschikt was om als omblad voor sigaren gebruikt te worden.
Langzaamaan echter ging de teelt achteruit door het afnemen van de vraag. De invoer van buitenlandse tabak nam voortdurend toe. Ook de fabricage van nicotine uit tabaksblad als insectenbestrijdingsmiddel werd stopgezet toen er chemische middelen in gebruik kwamen; door het benutten van kunstomblad in de sigarenindustrie kwam er een eind aan de vraag naar omblad, terwijl het pruimen van tabak steeds meer in onbruik raakte. Onze tabak is absoluut ongeschikt voor de fabricage van pijp- en sigarettentabak. Al deze factoren, samen met het al genoemde optreden van de schimmelziekte, waren de oorzaak van het beëindigen van de tabaksteelt in Nederland.
Het Museum
Een rondgang door het museum geeft een duidelijk beeld van wat hierboven beschreven is. Behalve de vele foto’s en voorwerpen die de geschiedenis en de teelt van tabak in Nederland illustreren is er vóór het gebouw een demonstratie-akkertje te zien, waar iedere zomer de planten op bedden groeien en bloeien, omgeven door de gebruikelijke heg van pronkbonen. De zelfgeteelde tabak wordt in het bedrijfsgedeelte van het tabaksteeltmuseum te drogen gehangen.
In april 2009 is door een aantal oud- telers en handelaren van tabak het verhaal van de tabaksteelt nog eens verteld. Een samenvatting van hun verhalen zijn opgetekend in dit boekje.