Tabaksteelt in de praktijk
Zaaien
Op de zonnige zuidzijdes van de Heuvelrug groeiden de tabaksplanten goed. Bijzonder was dat in Nederland broeibakken werden gebruikt om de jonge planten in te kweken omdat het klimaat niet warm genoeg was. Na 1635 werden deze broeibakken in heel Europa gebruikt. Het kweken van zaadjes op deze wijze werd de ‘Hollandse methode’ genoemd.
De tabaksboer liet elk jaar enkele tabaksplanten volgroeien en plukte uit de rijpe vruchtdozen de zaadjes. In het daaropvolgende voorjaar werden de zaadjes op een nat lapje – een oude gebreide sok – op een warme plek voorgekweekt. Na een paar dagen hadden de zaadjes een begin van wortels. Deze gekiemde zaadjes werden met fijn wit zand vermengd en op de bodem van een ‘tabakskist’ uitgezaaid. Onder het zand van de tabakskist was een laag warme paardenvijgen aangebracht die door broei en rotting warmte afgaven. Hierdoor groeiden de plantjes sneller. De bak werd afgedekt door een houten raamwerk, dat was beplakt met met lijnolie ingesmeerd papier. Zo bleef het warm, licht en broeierig in de tabakskist.
Het vingerhoedje
In 1939 kreeg de tabaksteeltdeskundige de heer Stam van de overheid de opdracht om de tabaksteelt onder boeren te stimuleren. Hij liet weten in de krant dat er gratis tabakszaad werd uitgedeeld. Boeren in een café in Amerongen konden 2 gram zaad ophalen.
Uit een pot met zaad schepte Stam tabakszaad, woog dit en stopte het zaad in een envelop.
Een Amerongse boer gaf Stam het advies om een vingerhoedje te gebruiken. Hiermee kon hij de hoeveelheid tabakszaad afmeten die nodig was om een halve hectare tabak te planten. De boeren gebruikten hiervoor zelf een vingerhoedje waarin precies twee gram tabakszaad kon. In Rhenen kocht Stam snel een vingerhoedje waar hij een steeltje aan liet solderen. Het vingerhoedje heeft als meetinstrument jarenlang dienst gedaan.
Planten
Half mei – na de periode van nachtvorst – waren de kleine tabaksplantjes groot genoeg om te worden geplant op de akkers. Deze akkers waren voorbewerkt met schapenmest of duivenpoep uit de duiventillen van kasteel Amerongen. In rijen werden de plantjes met grote tussenruimte geplant. Soms werden ze meer dan een meter hoog, met bladeren van 50 cm lang. Door de grote bladeren waren de planten zeer windgevoelig. De akkertjes werden in perken opgedeeld met daaromheen een heg van bonenstaken. Hier groeiden pronkbonen razendsnel tegen de takken op waardoor een hoge, dichte heg ontstond.
Oogsten
In juni werd de top uit de planten gebroken zodat ze niet te hoog werden. De plant kreeg hierdoor zijscheuten die ook werden verwijderd. Het uitbreken van zijscheuten – ook zuigers of dieven genoemd – heet ‘dieven’. Dit werk moest een tabaksboer de hele zomer herhalen om zo tot de beste kwaliteit tabak te komen. Er groeiden 12 tot 15 goede bladeren aan de plant waarvan de onderste en de grootste in juli en augustus werden geplukt. Het blad hogerop aan de stengel werd pas in september geplukt.
Na de pluk gingen de bladeren op karren naar de schuur. De tabak werd ingesneden en aan een spijl geregen. Een spijl was een dunne, puntige stok van zo’n anderhalve meter lang waaraan 30 bladeren werden geregen. De bladeren mochten elkaar niet aanraken. De spijlen werden daarna in de droogschuur opgehangen.
Drogen
[SinglePic not found]Vier tot zes weken moesten de bladeren drogen, afhankelijk van een warme of vochtige zomer was. De bladeren mochten niet schimmelen. Soms moest met kleine vuurtjes in een vuurkorf het drogen worden geholpen. Als de bladeren droog waren, werden ze bijeengebonden in bossen en op grote stapels gezet. Dit zogenaamde opbossen was een precies werk omdat hierna nog een broeiproces moest plaatsvinden.. Dit broeiproces zorgt voor de brandbaarheid van de tabak en was goed voor de smaak. Hierna waren de bladeren geschikt voor de verkoop. Voor het vervoer werden de bossen tabak in balen geperst.
Schapen en tabak
De tabaksteelt kon niet zonder de schapenhouderij. Schapen aten de heide en zorgden voor mest voor de tabaksakkers. De mest werd vermengd met heideplaggen en bosstrooisel. De verkoop van deze mest bracht veel geld op. De wol werd verkocht aan de wolkammerijen in de buurt. De wolindustrie in Veenendaal gebruikte veel van deze schapenwol.