Tabaks als genotsmiddel
In een groot deel van Europa snoof en pruimde men onze tabak. Met de toenemende welvaart in de 16de en vooral 17de eeuw namen deze genotmiddelen sterk toe.
Vanaf het midden van de 17de tot de 19de eeuw was rook-, snuif en pruimtabak een belangrijk handelsproduct. Eerst werd de inlandse tabak gebruikt als pijptabak. Na 1725 kwam het snuiven van fijn gemalen tabak in de mode. Hiervoor was onze tabak geschikt, net als voor de latere pruimtabak.
Omschakeling
Door de grote vraag naar tabak was het aantrekkelijk voor boeren om over te stappen op de tabaksteelt. Ook de depressie die in Europa in de 17de eeuw voelbaar was, zorgde voor een omschakeling. Door de dalende prijzen en een kleine bevolkingsgroei had de landbouw het slecht. Het verbouwen van graan bracht geen winst meer op.
Rookcultuur
In Nederland was een echte rookcultuur ontstaan. Nederlanders stonden bekend in het buitenland als zware drinkers en rokers. Vooral pijprokende vrouwen en hun pikzwarte tabakstanden waren voor de vreemdeling een schok.
Einde tabaksteelt in Nederland
Na 1850 kwam er een verandering in het gebruik van genotmiddelen. Het snuiven raakte uit de mode en sigaren en later sigaretten bepaalden het rookgedrag.
Onze tabak was voor sigaren niet erg geschikt. Ook had de tabaksteelt last van concurrenten uit Amerika en Indonesië. Boeren in andere Europese landen waren ook overgestapt naar tabaksteelt en veroverden de markt. Door dit grote aanbod daalden de prijzen. Ook in de landbouwsector was er een economische crisis. Er werd een kunstomblad ontwikkeld waardoor tabaksbladeren niet meer nodig waren. Rond 1900 waren er geen Utrechtse tabaksboeren meer. Alleen in Amerongen en Rhenen hield de tabaksteelt stand.